Pijpen van hertenbot en een trompet van menselijk dijbeen
5 min leestijd
Hoe gaan wij in Nederland om met ons muzikaal erfgoed? Sena Magazine gaat op zoek naar plekken waar de (nationale) muziekhistorie wordt gekoesterd. In Museum Vosbergen in Eelde troffen wij een unieke collectie oude muziekinstrumenten aan.
“Een beetje een rare afwijking”, zegt Dick Verel bijna verontschuldigend over zijn fascinatie voor oude muziekinstrumenten. Een ‘afwijking’ die in 2002 leidde tot een museum in een villa op een idyllisch landgoed in Drenthe. En die zich vijftig jaar eerder openbaarde toen de 12-jarige Dickie bij een bezoek met zijn moeder aan het Haags Gemeentemuseum zijn ogen uitkeek in de zalen met oude instrumenten. “Ik herinner mij trompetten aan de muur en Berlage-kasten vol palmhouten klarinetten. Dat gele hout, prachtig om te zien.”
Op de rommelmarkt kocht hij zijn eerste instrument, een concertina. “Voor een rijksdaalder, weet ik nog. Daarna volgde mijn eerste fagot en een enorme contrabasbalalaika.” Hij heeft nóg spijt van wat hij niet kocht, zoals de borstplaat van een harnas. “Die was helemaal uitgehamerd met muziekinstrumentjes. Heel bijzonder.”
Waar hij later kwam ter wereld, hij bleef instrumenten kopen. In het, met wijlen zijn vrouw Rieteke ingerichte, museum zijn er zo’n duizend tentoongesteld. Veel uit de negentiende eeuw, als interessante periode vanwege de ontwikkeling van veel instrumenten. Beneden, in de werkplaats, doet hij reparaties. “Ik heb net een trompet met Weens ventiel, afkomstig van een veiling in Vichy, onder handen genomen. Die was in desolate toestand, er was een schemerlamp van gemaakt. Hij hangt inmiddels in het museum.”
Soms verwierf hij ze door toeval. Zoals de bijna oudste klarinetten ter wereld, van rond 1730. “Lang geleden op de kop getikt bij een zolderverkoping. Twee identieke exemplaren. Zeldzame dingen, waarvan ik er een via Sotheby’s heb doorverkocht voor 25.000 gulden. Daarvan kon ik een substantieel deel van de collectie aanschaffen.”
Verhalen genoeg. Over de instrumenten zelf, de historie daarvan en hoe en waar hij er aan kwam. Zoals over het pronkstuk onder de houten blaasinstrumenten, de oud-Griekse aulos, een zogeheten dubbelschalmei. Twee pijpen van hertenbot. “Ik ontdekte hem in een antiquariaat. Hij was duur voor mijn doen, 700 gulden. Ik mocht sparen, de verkoper bewaarde ‘m voor mij. Het is het enige exemplaar in Nederland, uit 500 voor Christus. Zeldzaam.”
Bij een kast wijst hij op een 2000 jaar oude sistrum, uit Egypte. En op nog oudere Egyptische kleppers. Daarnaast staat een gloednieuwe Ethiopische lier. “In ons land tot ongeveer de tiende eeuw in zwang, in Afrika zijn lieren nog steeds populair.”
In een andere ruimte is de ontwikkeling van de violen te volgen, van barokinstrument uit begin achttiende eeuw tot heden. Er hangt een afbeelding van een dansmeesterviooltje, die dansmeesters gebruikten om prinsesjes te leren dansen. “Leuk ding”, zegt hij niet voor het laatst.
In de grootste zaal is in de buurt van allerhande dwarsfluiten en hobo’s een chalumeau uitgestald, de voorloper van de klarinet. Verel speelt een stukje op een fraai beschilderd virginaal. “Oud klaviertje, zeventiende-eeuws”, zegt hij. Aan de muur hangt een baritonsax van Adolphe Sax zelf, gekocht op een veiling. Elders wijst hij op een viola d’amore, een handviool met zeven snaren. “Daarachter zitten dunne metalen resonantiesnaren, die lopen dwars door de kam heen en resoneren mee.”
De dirigeerstok van zijn opa, dirigent van een amateurkoor, heeft ook een plek gekregen. Hij demonstreert een draailier (‘Een strijkinstrument, maar hij werkt met een houten wiel’) en vertelt over de rol van een Boheemse doedelzak op zijn eigen bruiloft.
Op de afdeling exotica zijn de wonderlijkste voorwerpen te bezichtigen. Zoals de sarangi, een klein, maar zwaar houten snaarinstrument uit de Hindoestaanse muziek, en de rubab, een snaarinstrument met lange hals. Twee sjofars, gebruikt in de Joodse eredienst. Een Tibetaanse trompet, gemaakt van een menselijk dijbeen. Over de bijbehorende, uitgestalde mensenschedels: “Weggooien kan altijd nog.”
We zien tokkelinstrumenten uit Tibet en Nepal. Een van fraai houtsnijwerk voorziene sarinda, veel bespeeld in India en Pakistan. Instrumenten uit Bangladesh, uit China. Doedelzakken uit Tunesië, Marokko, Bohemen, Bulgarije. De indrukwekkende contrabasbalalaika van de rommelmarkt in Den Haag. We lopen langs een bandura uit Oekraïne, een glasharp en een vitrine met citers die hij samen met schoolkinderen maakte. Als uitsmijter is er een hoekje met automatisch spelende instrumenten, zoals pianola’s en draaiorgels. En een buikorgel. “Die heb ik al sinds mijn zestiende. Leuk ding.”
Meer informatie: https://www.museumvosbergen.nl