‘Een schoon, vriendelijk en leutig beeldje’
Hoe gaan wij om met ons muzikaal erfgoed in de openbare ruimte? Sena Magazine reist door het land, op zoek naar (stand)beelden en andere artistieke huldeblijken. Een ontdekkingstocht langs de Mosselman, Zoete Lieve Gerritje, Berend Botje, het Peerd van Ome Loeks en Haags Jantje.
Een ongekend succes was het, de lp Nursery Rhymes van pianist Jaap Dekker en zijn befaamde Boogie Set, uit 1972. De instrumentale plaat vol eeuwenoude kinder- en volkswijsjes in opwindende boogiewoogiestijl voerde wekenlang de albumlijsten aan. Een van die traditionals was Zeg, Ken Jij De Mosselman, jaren later ook door VOF De Kunst in een eigentijds (vocaal) jasje gestoken. In de hoogtijdagen van de gabber scoorde producer Sander ‘De Mosselman’ Scheurwater een Top 10-hit met zijn happy hardcore gimmick-uitvoering Mossels.
Volgens de tekst, voor het eerst opgetekend in 1890, kwam de mosselman ‘uit Sche-ve-níííngen’. Opmerkelijk, want daar wordt niet op mossels gevist. Het liedje was een variant op het Engelse Do You Know The Muffin’ Man, uit 1820. Muffin men verkochten overgebleven muffins in Londense volksbuurten. Ze hadden een lage status en werden gezien als kinderlokkers en een soort pooiers. De Scheveningse mosselman zou daar een equivalent van zijn, met de mossel (net als muffin in Engeland bargoens voor vagina) als symbool van ontucht en onmatigheid. Met zijn verblijfplaats ‘Scheveningen’ zou de gevangenis aldaar bedoeld zijn.
Spoileralert: de echte mosselman staat in Yerseke, gemaakt in opdracht van de gemeente Reimerswaal. Niet zozeer vanwege het bekende liedje, maar als stoer symbool van het Zeeuwse dorp als mekka van de mossel- en oestercultuur. De manshoge creatie van kunstenaar Lou Boonman werd op 18 juni 1981 onthuld door prinses Juliana. Met een mand vol mosselen aan de hand kijkt hij met de Oosterschelde in de rug uit over de haven. Hij draagt lieslaarzen en op zijn hoofd een typisch Yerseke mosselkwekerspet.
Brandewijntje met suiker
Behalve bij grossiers in het genre als Jaap Dekker en VOF De Kunst, leven traditionele volksliedjes ook elders voort in de popmuziek. Bijvoorbeeld op de in psychedelische, Jeroen Bosch-achtige sferen gehulde lp Picknick van Boudewijn de Groot, uit 1968. In het nummer Mensen Om Me Heen zingen zijn benevelde hippievrienden op de achtergrond uitbundig ‘Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje...!’
Er werden in de Brabantse hoofdstad niet alleen een kleuterschool, een kinderdagverblijf en een gaysportclub naar Gerritje vernoemd, er verrezen ook twee monumenten die de mythische figuur uitbeelden. Ed van Rosmalen ontwierp in 1985 een grappige bronzen sculptuur: Zoete Lieve Gerritje, met mand, die zich door ‘d’eerste boer de beste’ gewillig laat meesleuren naar de stad. Om een brandewijntje met suiker te drinken, te betalen door haar metgezel. Het kunstwerk staat op een binnenhof in de binnenstad.
Jaren eerder al werd op een prominentere plek een nog steeds te bewonderen, hardstenen monument onthuld op een plateau in de Binnendieze. Een karikaturale vrouwelijke figuur op een bankje, met een haan en een mand. In 1955 kondigden verschillende kranten het al aan: de komst van een beeld van het meisje ‘dat het symbool is van de band tussen Den Bosch en de Meierij’, de landstreek rondom Den Bosch. Gevolg van een idee vanuit de burgerij, nadat Gerritje op 14 november 1953 in levenden lijve de laatste steen had gelegd van het nieuwe plaveisel op de Bossche Markt. Deze vleesgeworden liedjesfiguur was ontsproten aan het brein van directeur Jan Bruens (1923-2013) van het Bossche VVV. Hij liet haar opduiken bij lokale festiviteiten, steevast in gezelschap van haar boer.
Saaie stad
“‘s-Hertogenbosch is een mooie stad”, lichtte Bruens decennia later toe in het Reformatorisch Dagblad, “maar was in die tijd erg saai. Er werd niets georganiseerd voor inwoners of toeristen.”
Over wie de oorspronkelijke Gerritje werkelijk was, lopen de theorieën uiteen. Was het een bakker, een koe, een crimineel of toch een boerenmeid? Bruens koos voor de laatste optie en zette haar in ter promotie van de stad. Een staaltje city marketing avant la lettre. Ze bleef in functie tot Bruens’ afscheid bij de VVV in 1996.
Wat het aangekondigde beeld betreft, voldeed het ontwerp van Leo Geurtjens uit Berlicum het meest aan de jury-eisen. De beeldhouwer had niet gezocht naar een natuurlijke uitbeelding van de figuur, maar ‘vooral naar een weergeving van de gedachte die aan deze figuur ten grondslag ligt’.
In de woorden van het Overijsselsch Dagblad: ‘Het is vooral de karakteristieke volkshumor welke in zijn model specifiek en suggererend tot uiting wordt gebracht’.
De Volkskrant schreef over de onthulling op 26 juli 1958: ‘De burgemeester heeft verklaard dat het beeld steeds de toegewijde zorg van het gemeentebestuur zal hebben. Gerritje zelf, uiteraard present met haar metgezel, noemde het werkstuk van Leo Geurtjens ‘een schoon, vriendelijk en leutig’ beeldje’.
Fotografisch mikpunt
Een lied dat behalve door Jaap Dekker en VOF De Kunst ook door de The Lighttown Skiffle Group en Herman van Veen werd vastgelegd, is Berend Botje.
‘Berend Botje ging uit varen, met zijn scheepje naar Zuidlaren’, luidt de beginzin van de oudst bekende Nederlandse variant uit het liedboekje Volksdeuntjes Uit De Oude Doos, uit 1871. Mogelijk was de tekst afgeleid van een opvoedkundig gedicht dat waarschuwde tegen leegloperij. De reis verliep hoe dan ook anders dan gepland: ‘De weg was recht, de weg was krom, nooit kwam Berend Botje weerom’. Waar hij wel naartoe was? Volgens het slotcouplet naar Amerika. Het zou een spotliedje zijn op de vele noorderlingen die rond 1900 op plekken als de Zuidlaardermarkt door actieve reisagenten werden overgehaald om naar de Verenigde Staten te emigreren.
Volgens een andere legende gaat het om een boertje uit Borger dat over de kronkelrivier de Hunze op weg ging naar de Zuidlaarder paardenmarkt. Sommigen menen om een vrouw te kopen, maar die kon hij niet vinden, waarna hij op de terugweg dronken uit zijn boot zou zijn gevallen en verdronken in het Zuidlaardermeer.
Dankzij de inzet van Stichting Recreatiebelangen Zuidlaren is hij met zijn zinkend scheepje versteend te vinden middenin de plaats waar hij volgens het liedje nooit is aangekomen. Maker van het beeld was de geboren Zuidlaarder Willy Pot (1922-1991), op dat moment werkzaam als illustrator bij Philips in Eindhoven. Daar ontwierp hij onder meer het eerste logo van het legendarische muziekblad Tuney Tunes, dat jarenlang het omslag zou sieren.
Zijn creatie werd op 1 juli 1967 onthuld door Dr. Klaas van Dijk, voorzitter van het Drents Genootschap, en was volgens dagblad De Tijd sindsdien een ‘fotografisch mikpunt van talrijke toeristen’.
Berend staat op een zuil in een waterbassin met fontein. Een boertje op klompen, met opgerolde broekspijpen, neuswarmer, hoofddeksel en karakteristieke pijp in de mond, terwijl hij met zijn vaarboom verwoede pogingen doet om zijn zinkende schuitje boven water te houden.
Naast het kunstwerk ligt een opengeslagen bronzen boek met de liedtekst. Het beeld is een replica van het origineel dat sinds 2009 is ondergebracht in een expositieruimte bij Museum De Wachter. De verhuizing naar binnen had onder meer te maken met vandalisme. Zo werd de vaarboom eens ontvreemd en provisorisch vervangen door de steel van een bijl.
Ongepast
Iets noordelijker, in Groningen, wordt de treinreiziger bij aankomst verwelkomd door een beeld dat zijn bestaan ontleent aan een bekend Gronings volkswijsje: ‘Pééérd van Ome Loeks is dood, Loeks is dood, Loeks is dood / Pééérd van Ome Loeks is dood, hartstikke dood’ (of ‘hailemoal dood’, zoals de ware Stadjer zingt). ‘Guster nog goud gezond, sluig ’e mit steert in ’t rond’. In de popwereld opgenomen door onder anderen gerenommeerde accordeonisten als John Woodhouse en The Three Jacksons. De melodie is dezelfde als van Daar Wordt Op De Deur Geklopt en het Oostenrijkse versje O, Du Lieber Augustin, allemaal geënt op een zeventiende-eeuws Duits studentenliedje.
Het laat zich raden dat ook over de ware identiteit van Loeks de theorieën uiteenlopen. De meest waarschijnlijk geachte kandidaat is Lukas van Hemmen (1876-1955), pikeur en eigenaar van een café annex stalhouderij. In een onrustige bui trapte diens paard naar de stalknecht. Bij het terugdrijven van het paard verwondde Van Hemmen het dier zodanig, dat het daaraan overleed. Straatjongens zouden het lied voor het eerst hebben aangeheven toen de paardenslager het kadaver kwam ophalen.
Het beeld, van wit kwartsbeton, is een creatie van de Amsterdamse kunstenaar Jan de Baat (1921-2010). Het verscheen in augustus 1959 voor het hoofdstation, op voorspraak van de Raad voor de Kunst. Met goedkeuring van de NS, zolang het paard maar niet met zijn kont richting het stationsgebouw zou worden neergezet.
Het College van B&W vond een feestelijke onthulling ongepast ‘omdat het dier’, aldus een wethouder, ‘blijkens het befaamde lied op zo tragische wijze aan zijn eind gekomen is’.
Kunstraadlid W. Jos de Gruyter, directeur van het Groninger Museum, was het beeld enorm meegevallen, volgens deverhalenvangroningen.nl: ‘Hij hoopte ‘dat alle Groningers genoeg zin voor humor en zelfironie kunnen opbrengen om dit oude liedje te genieten en genoeg begrip voor moderne kunst om het beeld te waarderen’’. Het gezond ogende dier zwaait lustig met zijn staart, want de kunstcommissie wilde niet ‘dat het een smet zou werpen op de Groninger liefde voor paarden’. Bij herplaatsing op het nieuwe Stadsbalkon voor het station, in 2007, werd het grondig opgeknapte object alsnog feestelijk onthuld.
‘Peerd van Ome Loeks’ was ook al snel de bijnaam van de door beeldhouwer Wladimir de Vries vervaardigde, oudere sculptuur Veulen op de Radesingel. De Vries was niet blij dat zijn dartele veulen werd geassocieerd met een dood paard. Dat ongenoegen was wel de aanleiding voor de plannen van het echte peerd. Sinds de plaatsing daarvan in 1959 gaat het beeld Veulen door het leven als ‘Lutje Loeks’, of wel: kleine Loeks.
Floris V
Geen Mosselman in Scheveningen, maar wel een Haags Jantje aan de Hofvijver. Zes regels slechts kent het oudste nog bekende lied over de hofstad: ‘In Den Haag daar woont een graaf en zijn zoon heet Jantje / Als je vraagt waar woont je pa, dan wijst hij met zijn handje / Met zijn vingertje en zijn duim / Op zijn hoed draagt hij een pluim / Aan zijn arm een mandje… / Dag mijn lieve Jantje’.
Het zou gaan om de zoon van Floris V, graaf van Holland, die de in 1248 begonnen bouw van kasteel Die Haghe - waaromheen het dorp ’s Gravenhage ontstond - afrondde. Toen Floris werd vermoord, nam Jantje op 13-jarige leeftijd diens graventitel over. Het jongetje overleed twee jaar later en zou voor eeuwig Jantje blijven.
Volgens sommigen gaat het niet om een historische figuur, maar om een algemene jongensnaam die rijmde op ‘handje’ en ‘mandje’. Dat laatste rijmwoord ontbreekt echter in liedbundels van rond 1870, waarin de tekst anders eindigt: ‘Eerst met zijn vinger, dan met zijn duim / Hij heeft een jagersmutsje op / Met een huzarenpluim’. De melodie is afkomstig van een compositie van rond 1740. Cabaretier Sjaak Bral nam met pianist Hans Steijger in 2000 een gezongen versie op in Jaap Dekker-stijl, als Boogiewoogie Haagse Jantje.
Parmantig kereltje
Het lied inspireerde de Haagse beeldhouwer Ivo Coljé (1951-2012) tot het vervaardigen van de bronzen Jantje. Een bouwconcern schonk in 1978 een minimodel aan de stad bij de opening van winkelcentrum Babylon naast het Centraal Station. Het echte beeld, 1.30 meter hoog, werd op een herfstachtige zaterdagmorgen in juni 1981 op het wandelpad van de Vijverberg onthuld door burgemeester Schols. Daar staat het volgens De Telegraaf ‘voorname ventje’ (elders omschreven als ‘het parmantige kereltje’) vanaf een iets andere plek, nog altijd te wijzen naar het grafelijke kasteel van zijn pa. Op zijn hoofd een hoed met pluim en aan zijn arm een mandje, met… (leuke pubquizvraag) paddenstoelen.
Naar verluidt, zong Schols bij de onthulling het vers uit volle borst mee met het, voor de gelegenheid in jacquet gestoken, mannenkoor Die Haghe Sanghers.
Haags Jantje moest het Manneken Pis van Den Haag worden, maar tot verdriet van de Ivo Coljé Foundation zette de gemeente Jantje niet in als prominent beeldmerk voor de stad. In 2017 werd een element aan de sculptuur toegevoegd, met op een plaquette het verhaal achter het liedje en een beschrijving van de gebouwen van het Binnenhof. De teksten zijn helaas lastig te lezen.