Luister eens
5 min leestijd
In haar nieuwe column uit Aafke Romeijn haar verbazing over de omgangsvormen in de klassieke muziekwereld, en dan met name hoe men daarin omgaat met vrouwen.
Ik mag dan al jaren popmuziek maken, ik kom nog altijd uit een klassiek nest. Mijn ouders zijn es-klarinettist en dirigente, mijn zusje is trompettist, en zelf studeerde ik compositie en piano in Den Haag. En nog altijd schrijf ik graag en veel voor klassieke en hedendaagse orkesten en ensembles en wordt een flink deel van mijn sociale kringen bevolkt door orkestmusici en componisten. Ik heb van jongs af aan van dichtbij gezien hoe de klassieke muziekwereld omgaat met vrouwen, en aanvankelijk heb ik dit geïnternaliseerd als ‘normaal’. Pas de afgelopen tien jaar ben ik me boos gaan maken en gaan uitspreken.
Om maar een paar voorbeelden uit mijn eigen ervaring te noemen: de pianodocent die me als vijftienjarige omstandig uitlegde hoe het voelt om te spelen met een erectie. De hoofdvakdocent die me toevertrouwde dat ik mijn toelatingsexamen toch vooral gehaald had vanwege mijn ‘mooie tietjes’ (zijn woorden). De hoofdvakdocent voor wie vrouwelijke studenten elkaar waarschuwden dat je nooit na acht uur ’s avonds mee moest gaan naar zijn kamer, omdat ‘iedereen daar huilend weer uitkomt’.
Een aantal jaar geleden besloot ik dat ik hier een langer onderzoeksverhaal over wilde schrijven voor Vrij Nederland. Ik sprak met talloze vrouwelijke orkestmusici uit heel Europa en uit Amerika. Over aanrandingen, verkrachtingen, gedwongen ontslagen, gebroken carrières en trauma’s. De verhalen waren er, maar het stuk kwam er nooit, omdat de vrouwen in kwestie te bang waren hun kwetsbare carrières alsnog te verliezen, en om niet geloofd te worden. De politie had hen immers ook al afgeraden om aangifte te doen, want: ‘dit soort zaken is onmogelijk te bewijzen’.
Als ik terugdenk aan die verhalen word ik nog altijd woest. Toen #metoo kwam, hoopte ik dat de orkestwereld meegesleurd zou worden door de beweging, maar het duurde nog jaren voordat de eerste verhalen voorzichtig naar buiten kwamen. Inmiddels zijn de getuigenissen legio, mede dankzij dappere vrouwen als Dorine Schoon, die het gesprek blijft aangaan, maar ook mijn zusje Anneke, die in verschillende tv-reportages verslag deed van haar ervaringen als vrouwelijke trompettist in mannelijke kopersecties.
En dan blijf ik me verbazen over de veelal mannelijke orkestmusici die mijn LinkedIn blijven volschrijven over dat in hun orkesten dit soort dingen ‘echt niet voorkomt’, dat het allemaal ‘overdreven gezeur’ is van ‘vrouwen die niet succesvol waren’. De geschiedenis zal uitwijzen dat deze mannen zich volkomen belachelijk maken, maar voorlopig zitten we nog altijd in een orkestcultuur waarin deze naïeve en gewelddadige ontkenning de boventoon voert.
Het is ironisch dat musici die hun hele werkende carrière besteden aan nauwkeurig luisteren naar anderen, zo ontzettend slecht zijn in daadwerkelijk luisteren wanneer iemand een ervaring deelt die niet strookt met hun zelfbeeld. Ja, het is moeilijk en pijnlijk om tot de conclusie te komen dat jouw ‘normaal’ niet voor iedereen even gezellig, gemoedelijk en constructief blijkt te zijn. Maar geloof me: uiteindelijk wordt elke gemeenschap mooier wanneer je de moeite neemt om te luisteren. En dan niet alleen wanneer iemand een instrument bespeelt, maar juist ook wanneer iemand met woorden spreekt.