Een onderbetaalde passie als grootste droom
6 min leestijd
In haar nieuwe column gaat Aafke Romeijn in op een recent onderzoek van Movisie naar grensoverschrijdend gedrag in de muzieksector. De cijfers zullen velen niet verbazen, maar zijn daarom niet minder schokkend. En de oplossing is niet eenvoudig.
Onlangs bezocht ik de conferentie van Taskforce GO!, een werkgroep die is ontstaan nadat collega’s Linde Schöne, Laura Jansen en ondergetekende in de slipstream van het schandaal rondom ‘The Voice’ een open brief schreven, waarin we ons hardop afvroegen waarom iedereen toch zo verbaasd was over het wangedrag van Ali B. en consorten. We liepen zelf al flink wat jaren rond in de muziekindustrie, en hadden gedacht dat iedereen inmiddels wel wist hoe het er achter (en voor) de schermen aan toe ging. De muzieksector is en blijft immers een door mannen gedomineerde tak van sport, waarin veel lelijke zaken worden ontkend, weggewuifd of simpelweg worden getolereerd of zelfs aangemoedigd.
In Taskforce GO! zijn grote overkoepelende spelers uit diezelfde industrie vertegenwoordigd, en alhoewel er een aantal branches zijn die hardnekkig afwezig blijven (klassieke orkesten en ensembles, waar blijven jullie?), is het inmiddels een club van formaat die flink wat handjes op elkaar krijgt. Tijdens de conferentie bleek dat nog maar weer eens, toen de Taskforce samen met Movisie nieuw onderzoek presenteerde. Wat blijkt? Een op de drie professionals in de muzieksector heeft het afgelopen jaar grensoverschrijdend gedrag ondergaan, en de helft is getuige geweest van wangedrag. Dat zijn schrikbarende cijfers.
Op de conferentie werden de onderzoeksbevindingen geanalyseerd, en dat leverde interessante context en verdieping op. Als je de creatieve sector vergelijkt met andere sectoren, dan blijkt dat onze hoek van het werkveld onveiliger is en mensen vaker ziek worden door hun werk, denk daarbij aan burn-outs en andere mentale klachten. Hoe dat komt? Onderzoeker en universitair docent Mark Deuze legde het uit. In de creatieve sector hebben professionals - net als in de academische wereld, trouwens, ook zo’n ‘rare’ uithoek - een nogal paradoxale houding ten opzichte van hun werk. Enerzijds zijn ze oneindig dankbaar dat ze van hun passie hun beroep hebben kunnen maken, en zouden ze datzelfde beroep meteen weer kiezen als ze het over mochten doen. Anderzijds noemen ze hun werk stressvol, onderbetaald en uitputtend.
Die tegenstelling herkennen velen van ons, vermoed ik, ikzelf in elk geval zeker. Als iemand me vraagt wat ik doe voor de kost, zeg ik altijd met een grote glimlach op mijn gezicht dat ik precies doe waar ik zin in heb, en dat ik daar als door een wonder ook nog eens voor betaald krijg. Maar wie me een beetje volgt, weet ook dat ik strijd voor fair pay en een inclusieve en veilige sector, en dat doe ik niet omdat het allemaal rozengeur en maneschijn is op de werkvloer. Socioloog Mark Deuze legde in zijn keynote uit dat het juist deze paradox is waar mensen in vastlopen, en waarvan ze - in sommige gevallen - ziek worden. Muzikanten identificeren zich met hun beroep. Denk maar na, als iemand vraagt naar je beroep, dan antwoord je waarschijnlijk met “ik ben muzikant”, niet met “ik speel [vul hier instrument in].” Dat is logisch: je beroepspraktijk is een droom waaraan je lang gewerkt hebt, geen toevallige side hustle.
De innerlijke drive die we voelen om steeds weer door te gaan, maakt ons als muzikant succesvol, en is daarom zeer waardevol. Maar, zo leerde ik maandag, het is ook gezond om af en toe afstand te nemen van die gedrevenheid, en werk ook gewoon te laten zijn wat het is: werk. En ik ben de eerste om toe te geven dat dat waanzinnig moeilijk is. Het bewijs? Ik zit deze column na middernacht te typen, omdat kantooruren voor mij niet bestaan, omdat ik mijn ‘werk’ nou eenmaal het allerleukste vind wat er is. Hoe ik dat kan relativeren? Daar heb ik misschien nog een volgende conferentie voor nodig…